Blog2Blog Maak je eigen Blog2Blog | Gratis je eigen blog c.q weblog op internet Blog.nl Blog2Blog
loans
De Nakamura-affaire
De Nakamura-affaire Home | Profile | Archives

De Schat Van Nakamura (door Peter Schumacher)13 November 2009

 

In de chaos vlak na de Tweede Wereldoorlog vindt in voormalig Nederlands-Indië de grootste juwelenroof uit onze koloniale geschiedenis plaats. Peter Schumacher reconstrueert de misdaad die nooit helemaal werd opgelost.

 

Hoe een groot deel van de schat in handen valt van een femme fatale en corrupte legerofficieren.

 

Twee vrachtwagens komen voorrijden bij het grote pandhuis, gelegen aan Kramat, een brede straat even buiten het centrum van Batavia (nu Jakarta).

Het is een week na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945.

De Japanse kapitein Hiroshi Nakamura, begeleid door de voormalige Japanse chef van het pandhuis en enkele helpers, loopt naar binnen.

De afspraak met de Indonesische beheerder is dat vijf koffers worden gevuld met zo veel mogelijk juwelen en diamanten die tijdens de bezetting in dit pandhuis bijeen zijn gebracht.

Met behulp van het personeel worden de brandkasten leeggehaald.

De koffers zijn al gauw vol. Haastig worden nog wat manden gebracht.

 

De opdracht om het pandhuis leeg te halen is afkomstig van kolonel Akira Nomura, hoofd van het planbureau van het Japanse leger en Nakamura's chef. De buit moet volgens de instructies van Nomura gebracht worden naar zijn kantoor aan het Koningsplein.

Daar zullen de vijf koffers worden meegegeven aan vijf commandanten die met de inhoud daarvan vijf interneringskampen moeten bekostigen voor de verslagen Japanners. Eén in Jakarta en vier in de buurt van de stad Bogor. De Japanners dienen zichzelf te interneren in afwachting van hun repatriëring of berechting wegens oorlogsmisdaden.

 

In Nederlands-Indië is na de overgave van Japan aan de geallieerden een onwerkelijke situatie ontstaan. De verslagen Japanners, die Indië sinds maart 1942 bezetten, hebben niemand aan wie zij zich kunnen over geven.

Op de topconferentie van de Grote Drie (Amerika, Engeland en Rusland) is afgesproken dat Engeland voorlopig het militaire bestuur in Nederlands-Indië op zich zal nemen.

Het duurt echter nog maanden voordat er voldoende Britse troepen zijn om de macht over te nemen.

De situatie wordt nog gecompliceerder wanneer op 17 augustus 1945 in Jakarta door de Indonesische leider Soekarno de onafhankelijke Republiek Indonesië wordt uitgeroepen.

Vanuit zijn kantoor in Singapore beveelt de Britse admiraal lord Mountbatten de Japanse legerleiding in afwachting van de komst van de Britse militairen de burgers in en buiten de kampen te beschermen en voor hen zelf vijf interneringskampen in te richten.

 

Veel juwelen uit het pandhuis zitten verpakt in papieren enveloppen. Ook is de buit nog niet in vijf gelijke delen verdeeld.

Daarom besluit Nakamura de overvolle koffers en manden eerst naar zijn eigen huis te brengen en daar te sorteren. Een poging om zijn chef Nomura telefonisch in te lichten over zijn handelswijze mislukt.

Thuis treft hij zijn minnares Carla Wolff-de Jong aan, die recht tegenover hem woont en met wie hij al sinds het begin van de bezettingstijd een verhouding heeft. Nakamura vraagt haar hem te helpen met het uitzoeken van de juwelen. Het is veel werk, en bovendien moet Nakamura weer weg. Carla roept voor het sorteerwerk de hulp in van de jonge Bram Roukens.


Als Nakamura de volgende ochtend thuiskomt, liggen de juwelen keurig geordend op de grond in de huiskamer. Er zijn een stuk of tien stapels gemaakt, waaronder een stapel edelstenen ter grootte van een 'halve voetbal'. Ook is er een stapel met gouden sieraden die Carla graag zelf wil houden. Want, zo zegt zij tegen Nakamura, de oorlog is afgelopen en jij kunt niet  meer voor mij en de kinderen zorgen (vier uit haar huwelijk met Wolff en twee van Nakamura ). Uit de reactie van Nakamura leidt Carla af dat hij ermee instemt dat zij de juwelen houdt. Uit angst voor berovingen schaft Nakamura een brandkast aan voor Carla's deel. Spoedig daarna verlaat hij zijn huis om in de nabij gelegen wijk Tanah Abang met andere Japanse officieren te worden geïnterneerd. Wel bezoekt Nakamura Carla nog regelmatig. Op een dag brengt hij een stapeltje bank biljetten ter waarde van twee- honderdduizend Nederlands-Indische guldens (gelijkwaardig aan de Nederlandse gulden) mee naar huis. Hij  vertelt dat hij het geld van Nomura heeft gekregen. Dit geld, zegt hij tegen Carla, is bestemd voor vier Japanse interneringskampen in de omgeving van Bogor en moet ook in de safe worden bewaard. Later brengt hij nog eens twintig staven zilver.

 

Nakamura maakt zich zorgen over de mogelijkheid dat jonge Indonesische revolutionairen of 'rampokkers' (plunderaars) Carla met haar nieuwverworven kostbaarheden zullen belagen en wellicht overvallen. Hij wil dat zij de buit in veiligheid brengt. Ong Wie Soen, de Chinese vertrouweling en hulp van Nakamura, biedt uitkomst. Hij heeft een Chinese kennis, Tio Wie Koen, op Pintu Besi wonen die een grote safe heeft. Het grootste deel van de juwelen komt daar terecht, evenals het geld. De zilveren staven verstopt Ong tussen een stel auto-onderdelen. Carla houdt een klein deel van de juwelen om mee te handelen of om weg te geven aan vrienden en vriendinnen, die als vliegen op het goud afkomen. Ze maakt absoluut geen geheim van de enorme rijkdom die ze plotseling heeft gekregen. Ze fantaseert openlijk over een gouden bed waarin ze binnenkort hoopt te slapen en dito borden waarvan ze zal eten. Met die loslippigheid neemt zij meer risico's dan zij beseft.


Waar is eind augustus 1945 het leeuwendeel van de Nakamura-schat gebleven? In februari 1946 wordt Nakamura door de Britse Field Security Service (FSS) gearresteerd.

Zijn arrestatie heeft aanvankelijk niets te maken met het feit dat hij vijf maanden eerder een pandhuis vol juwelen heeft leeggehaald. Daar weten de Britten, die tijdelijk het militaire gezag in Nederlands-Indië uitoefenen, dan nog niets van.

De FSS is geïnteresseerd geraakt in Nakamura omdat hij in het kamp in Tanah Abang een veel prominentere rol speelt dan zijn rang van kapitein toestaat.

Ook maakt Nakamura zich in de ogen van de FSS verdacht omdat hij over veel contanten beschikt. Zou hij wellicht iets te maken kunnen hebben, vragen de Britten zich af, met een ondergrondse organisatie van Japanners en Indonesiërs die onder de naam Zwarte Waaier actief is tegen het Britse militaire bestuur?
 
Wanneer enkele weken na Nakamura's arrestatie de eerste vermoedens rijzen dat hij betrokken is geweest bij de juwelenroof in het pandhuis, zetten zijn verhoorders hem nog strakker de duimschroeven aan en bekent hij alles. Enig verband met de Zwarte Waaier kunnen de Britten niet vinden. Uit de verhoren van Nakamura en zijn chef Nomura valt het volgende verhaal te reconstrueren. Nakamura krijgt Nomura uiteindelijk toch aan de telefoon en vraagt waar de juwelen naar toe moeten. Hij zegt niet dat hij een deel ervan heeft afgestaan aan zijn minnares Carla Wolff. Nomura geeft opdracht de buit naar zijn kantoor te brengen.
Daar worden de juwelen keurig over de vijf koffers verdeeld. Een deskundige schat de waarde van elke koffer op honderdduizend Indische guldens. Nakamura schrijft met krijt de namen van de kampen op de koffers.

 

Kort daarna komen de kampcommandanten die ophalen.Nakamura en Nomura zeggen tijdens hun verhoor niet met zekerheid te weten of de inhoud van de koffers werkelijk is gebruikt om de vijf kampen te bekostigen.

Als de kampcommandanten de inhoud zouden hebben verkocht, dan hadden in het najaar van 1945 in West-Java vrij veel juwelen moeten opduiken. Maar alleen in Bandung, de hoofdstad van West-Java, doen  in 1946 en 1947 verhalen de ronde over Japanners en Knil-militairen die diamanten en juwelen in hun bezit hebben of  trachten te verkopen. Een onderzoek door een militaire commissie levert niets op, laat staan dat kan worden aangetoond dat het hier zou gaan om delen van de Nakamura-schat, maar onmogelijk is het niet.
Nakamura's trouwe medewerker Ong Wie Soen wordt begin februari 1946 gearresteerd op verdenking van een aantal
delicten, waaronder wapensmokkel, die losstaan van de Nakamura-schat. Deze arrestatie maakt Carla zenuwachtig. Zij stelt Nakamura voor, die dan nog in het Tanah Abang-kamp zit, haar goudschat weg te halen uit de safe van Tio Wie Koen en op diens erf te begraven. Dat gebeurt. Alleen het geld blijft in de safe.

 

Diezelfde maand vernemen twee informanten van de Nederlandse militaire inlichtingendienst (Nefis), als gevolg van Carla's loslippigheid, dat zij moet beschikken over een enorme hoeveelheid goud.

Een van die Nefis-medewerkers is de burger Maurits Noach. De andere medewerker is de 35-jarige vrouw Renée Ulrich. Noach gaat met zijn verhaal naar zijn chef bij Nefis. Hij wordt uitgelachen. Vervolgens gaat hij naar de Britse FSS. Kapitein J.H.R. Morton staat hem te woord. Ook hij fronst aanvankelijk de wenkbrauwen, maar besluit toch Carla's woning te doorzoeken.

Als een handjevol sieraden wordt gevonden, besluit Morton haar te verhoren met Noach als tolk.

 

Begin maart 1946 vindt het verhoor van Carla plaats op het kantoor van Morton. Carla ontkent alles. Ze weet niets van grote hoeveelheden juwelen die in haar bezit zouden zijn. Morton gelooft haar niet en gaat over tot fysiek geweld. Carla slaat door en wijst de plaats aan waar haar schat ligt begraven.

De juwelen zitten in twee petroleumblikken die zijn volgestort met

gestolde was. Morton, zijn adjudant sergeant Dawson, Noach en Ulrich nemen de blikken mee. Ook de tweehonderdduizend gulden uit de safe van Tio halen ze op. Het is laat geworden en Carla kan niet meer naar de gevangenis worden gebracht.

Bovendien moet ze haar jongste kind verzorgen. Zij mag die nacht in haar huis blijven.

 

Op het kantoor van Morton worden de juwelen uit de blikken gesmolten. Het grootste deel ervan brengt Morton naar de Britse militaire betaalmeester. Het geld en een aardige hoeveelheid juwelen houden Morton en Dawson zelf. Noach en Ulrich krijgen van Morton juwelen en geld voor hun hulp bij de opsporing van de schat. In een verhoor verschaft Noach de onderzoeksrechter veel bijzonderheden over de manier waarop hij en Renée Ulrich van Morton en Dawson een voorraadje juwelen hebben gekregen. Een kussensloop vol armbanden, munten en een stapeltje Nederlands-Indische bankbiljetten met een waarde van vijftigduizend gulden. Ulrich en Noach hebben die spullen begraven in de tuin van Renée. Het geld is in haar huis verstopt. Volgens Noach had Ulrich een grote aantrekkingskracht op hem, ondanks dat hij wist dat zij ondertussen een verhouding was begonnen met de Britse majoor J.B.D. Williams van de Militaire Politie.

 

Het Nederlands-Indische justitiële apparaat in opbouw weet in maart 1946, als Carla Wolff gevangen is gezet door Morton, nog maar weinig van de zaak af. Mr. Ed Brunsveld van Hulten wordt na zijn kamptijd aangesteld als officier van justitie in Batavia. Renée Ulrich kent Brunsveld al van voor de oorlog. Hij was een vriend van haar vader. Ulrich benadert Brunsveld met het verzoek of hij voor haar een uitreisvisum naar Singapore kan regelen. Dat kan hij niet. Op haar verzoek bezoekt Brunsveld Ulrich thuis. Dan valt de naam van Carla Wolff. Brunsveld weet Carla, die inmiddels door Morton is vrijgelaten, op te sporen.

 

Carla, die haar deel van de schat is kwijt geraakt, vertelt Brunsveld wat er is gebeurd. Ook hoe zij door Morton tot een bekentenis is gedwongen. Brunsveld zoekt contact met de Britse inlichtingendienst. Morton en Williams houden zich van de domme. Brunsveld zet zijn onderzoek voort en komt in Singapore terecht bij kolonel Sharp, chef van de Special Investigation Branche (SIB). Sharp komt persoonlijk naar Batavia. Dit leidt tot de arrestatie van Morton en Williams. Beiden moeten verschijnen voor de krijgsraad. Morton wordt wegens het ontbreken van een essentiële getuige vrijgesproken; Williams krijgt een jaar dwangarbeid en ontslag uit de dienst.

 

Renée Ulrich probeert nog via de Bataviase pandhuisbaas Kroon haar begraven deel van Carla's schat te verkopen. Kroon mag de helft houden. Als Ulrich zich in het nauw gedreven voelt, zegt ze dat hij alles mag hebben. Maar het is al te laat. Op 8 juni worden Ulrich en Kroon door Brunsveld in de gevangenis opgesloten. Alle betrokkenen zitten dan vast en de verhoren die later zullen leiden tot een proces voor de landsraad kunnen beginnen. De enigen die de dans ontspringen, zijn Carla's Indische vriendje Bram Roukens, die naar Nederland is gerepatrieerd en daar onvindbaar blijkt, en Mortons assistent, sergeant Dawson, die naar Engeland is vertrokken. Later zal hij in Engeland toch nog worden gepakt.

 

Op 17 juni 1946 komt Het Dagblad, een nieuwe krant in Batavia, als eerste met het hele verhaal vol smeuïge details. De halve voor pagina wordt ervoor ingeruimd.

Het Dagblad schat de waarde van de teruggevonden juwelen op 86 miljoen gulden. Dat is exclusief de vijf koffers die in augustus 1945 zijn meegegeven aan de Japanse kamphoofden, want daar weet Het Dagblad dan nog niets van. Hoe de krant aan het bedrag komt, is onduidelijk, maar het zal achteraf veel te hoog blijken te zijn.

 

Brunsveld bereidt het proces voor tegen Carla Wolff, Renée Ulrich, Maurits Noach, Ong Wie Soen, Tio Wie Koen en J.P.B. Kroon. Op verdenking van heling staan verder nog drie Chinezen terecht en een Indische jongeman die ervan wordt verdacht, in zijn functie van ‘bodyguard’ van Carla Wolff, gouden juwelen van haar te hebben gestolen om ze uit te delen aan zijn vriendinnetjes. Brunsveld wil van Nakamura precies weten hoe groot het deel van de buit was dat hij aan Carla heeft af gestaan. Nakamura: "Ik was erbij tegenwoordig dat Carla Wolff voor zichzelf iets afzonderde. Ik stond haar toe voor zichzelf te nemen wat zij het best en het mooist vond naar haar eigen opvatting. Ik heb haar daarbij, voor zover ik mij herinner, geen raad gegeven." Carla vertelt Brunsveld dat het leeuwendeel van de schat is weggebracht en toen niet meer van haar was.

 

Als Carla eind augustus 1946 terechtstaat, ligt alles wat er van de schat is teruggevonden gesorteerd op een tafel.

De Britse betaalmeester, bij wie Morton het grootste deel van Carla's opgegraven schat heeft ingeleverd, heeft een prachtige inventarisatie gemaakt, compleet met een schatting van de waarde: 331.025 Indische guldens aan juwelen en 144.110 aan contanten. Samen een kleine half miljoen gulden. Was die taxatie reëel? Daniel Girod, een voormalige medewerker van het veilinghuis Sotheby's, zegt op grond van de inventarisatie: "Die Engelsen zaten er niet ver naast. Maar ik wijs er nog even op dat een taxatie van de waarde volgens de verzekering een factor 2,5 hoger uit zou vallen."  Sinds 1946 is door de inflatie de gulden ongeveer achtmaal minder waard geworden.

 

Vanaf de eerste dag dat Carla voor de landrechter verschijnt, houdt zij vol dat het door Ong weggebrachte en later in Tio's tuin begraven deel van de schat niet van haar was, maar het bezit bleef van Nakamura. Rechter Filet gelooft haar niet.

 

In Het Dagblad van 3 september 1946 verschijnt een uitgebreide reportage. De verslaggever schrijft: 'Voor de groene tafel zit Carla, een mager, zenuwachtig gebarend vrouwtje met grote donkere vampierogen. Ze heeft zich voor deze zitting behoorlijk opgemaakt, klaarblijkelijk om haar bekoorlijkheden zo goed mogelijk te doen uitkomen. Een scherp getekend, mager gezicht onder een geweldige zwarte haardos à la gamine. De nerveuze trekken zijn onderstreept door veel rood en zwart op een dikke poederlaag.'

 

 

Volgens de tenlastelegging heeft Carla Wolff 'onwettig in bezit gehad sieraden en goederen, waarvan zij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat deze door misdrijf verkregen waren, onwettig in bezit had een geldsbedrag groot f.270.000, waarvan zij ook de herkomst moest weten.'

Carla ontkent wederom alles, maar bevestigt dat Nakamura eind

augustus 1945 met een groot aantal koffers gevuld met juwelen thuis was gekomen en later, in september, een koffer met Javasche bankbiljetten en een doos met Japans geld meebracht. Van het Japanse bankgeld mocht zij boodschappen kopen.

Carla geeft toe dat Nakamura haar had verteld dat de sieraden afkomstig waren van een pandhuis, 'waar hij ze op last van zijn chef, een generaal, had moeten kopen om ze onder zijn personeel te verdelen'. Carla zegt geen idee te hebben gehad wat de sieraden waard waren. Het deel dat Morton heeft afgegeven aan zijn paymaster, aldus de rechter, wordt door hem geschat op 475.000 Indische guldens. Als Carla door mr. Filet wordt geconfronteerd met haar uitspraak over slapen in een gouden bed en eten van gouden borden, antwoordt ze nerveus lachend: "Ach, dat is allemaal nonsens, het waren niet meer dan grapjes."

Dan geeft de rechter Carla de gelegenheid uitgebreid te vertellen over het fysieke geweld dat Morton toepaste toen hij haar verhoorde. Hierop vraagt mr. Filet waarom zij niet direct heeft gezegd waar het goud verborgen lag, aangezien het toch niet van haarzelf was. Carla reageert met te zeggen dat ze bang was voor de Engelsen. Ook Noach vertrouwde ze niet omdat hij als Nefis-medewerker voor de Engelsen werkte.


In zijn requisitoir betoogt mr. Brunsveld dat hij de beklaagde wel degelijk beschouwt als de bezitster van de begraven schat,
anders had zij de Engelsen wel meteen gezegd waar die te vinden was. "Beklaagde is", gaat Brunsveld verder, "het prototype van een onontwikkelde en ijdele vrouw die denkt dat zij met haar charmes alles kan gedaan krijgen van jongelieden. Beklaagde is echter weer niet zo onontwikkeld dan dat zij niet kon begrijpen dat de schatten niet aan Nakamura en andere Jappen, maar aan de geallieerden toebehoorden."

Brunsveld eist een jaar gevangenisstraf.

Rechter Filet doet onmiddellijk uitspraak: acht maanden cel met aftrek van voorarrest. Drie dagen later eist dezelfde openbare aanklager in het proces tegen Noach en Ulrich, die beiden wel schuld bekennen, respectievelijk anderhalf jaar en acht maanden celstraf. De rechter doet ook hier direct uitspraak: Noach veertien maanden, Ulrich acht.

 

Renée Ulrich (links) en Carla Wolff (rechts) in de gevangenis:

 

 

 

Morton ontspringt voorlopig de dans. Enige maanden later wordt Dawson, de afwezige getuige bij Mortons proces, opgepakt.

Dawson bekent dat hij met hulp van Ulrich en Morton een diamant en een aantal robijnen in de uitgeholde hak van zijn schoen naar Engeland heeft gesmokkeld. Morton had deze diamant gekocht van de meer dan twee ton Indische bankbiljetten die deel uitmaakten van de door hem in beslag genomen schat van Carla. Ulrich hielp hem in Batavia een schoenmaker te vinden die de edelstenen in de hak verborg. Morton kocht deze diamant voor 125.000 Indische guldens (nu bijna een half miljoen euro) van een Chinese juwelier, omdat hij wist dat hij die Indische guldens nergens ter wereld kon inwisselen tegen gangbare valuta.

 

Tijdens het proces van Hiroshi Nakamura en zijn chef Akira Nomura voor de temporaire krijgsraad in Batavia op 30 juli 1948 krijgt het publiek via de pers te horen wat het doel is geweest van de roof uit het Bataviase pandhuis. Bijna drie jaar na de gebeurtenissen op Kramat spreekt de Indische Courant over 'nieuwe onthullingen'. Volgens de krant is de schat nooit geheel boven water gekomen. 'Er wordt verteld', aldus de krant, "dat een groot gedeelte nog ergens in Menteng (de Europese wijk van Batavia) verborgen moet zitten."
Rechter mr. L.F. de Groot reconstrueert de zaak minutieus naar aanleiding van de verklaringen van de beklaagden en op
grond van getuigenverklaringen van Carla Wolff en de beambten die bij de operatie in het pandhuis aanwezig zijn geweest.

De Groot en auditeur-militair mr. J. Diephuis voelen Nomura flink aan de tand over zijn standpunt dat het hier om Japans bezit zou gaan.

 

Tijdens de bezetting was immers de armoede onder Indonesiërs en Indo-Europeanen gegroeid en veel mensen hadden om die reden hun kostbaarheden verpand in de hoop ze na de oorlog terug te kunnen kopen.
De officiële stukken van het proces zijn verloren gegaan. In de Indische Courant van 7 augustus 1948 staat het betoog van
Diephuis te lezen: 'De verdachten hebben er beiden niets toe bijgedragen om de sluier op te heffen, die nog steeds over de verdwijning van de schat ligt. Integendeel, zij hebben geprobeerd samen een verhaal op te dissen dat niet juist kan zijn.'

Diephuis noemt Nomura 'een volkomen onbetrouwbaar sujet en Nakamura voor de gemeenschap minstens even gevaarlijk'.

Hij eist tegen beiden vijftien jaar gevangenisstraf. Op 2 november 1948 wijst mr. De Groot vonnis. De waarde van de schat wordt geraamd op enkele miljoenen Indische guldens. Nakamura wordt schuldig geacht 330.000 (nu 1,2 miljoen euro) ten eigen bate te hebben aangewend. De rechtbank acht beide beklaagden schuldig aan plundering en veroordeelt Nakamura tot een gevangenisstraf van tien jaar en Nomura tot een straf van vijf jaar. In februari 1949 bevestigt het wettig gezag in Indonesië het vonnis tegen Nakamura en wordt Nomura's straf teruggebracht tot één jaar. De laatste komt onmiddellijk vrij.

Nakamura vertrekt eind december 1949 naar Japan, waar hij de rest van zijn straf uitzit. In 1951 komt hij in aanmerking voor voorlopige invrijheidstelling. Twee jaar later zit zijn gevangenisstraf erop. Van Nakamura wordt nooit meer iets vernomen.

 


Carla de Jong komt begin 1947 vrij. Zij verhuist naar een hotelletje in de benedenstad van Batavia. Ze verkast enkele malen.

Omdat zij nog een getuigenverklaring moet afleggen in het proces tegen Nakamura en zijn chef, mag ze voorlopig het land niet verlaten. Haar man heeft de zware dwangarbeid aan de Birma-spoorweg overleefd, keert terug naar Batavia en laat zich scheiden van Carla. Hun vier kinderen wonen elders in de stad bij hun vader.

 

Begin 1949 ontmoet Carla in een bar in Batavia de dienstplichtig soldaat Siem Berman. Ze krijgen een verhouding die een jaar zal duren. Berman herinnert zich Carla als een knappe, aardige vrouw. "Haar oudste zoon, die toen een jaar of achttien was, bezocht zijn moeder bijna iedere dag. De andere kinderen kwamen wat minder regelmatig. Carla woonde toen in een Chinees hotel in de benedenstad. Het was een leuke tijd, maar ze heeft me financieel wel geruïneerd en ik heb ook nog drie maanden moeten zitten wegens te vaak onwettig afwezig."
Een van de zonen van Carla Wolff, die liever niet met zijn naam in de krant wil, vertelt dat het gezin Wolff in 1942 bestond uit
acht kinderen. "Mijn moeder kreeg in de oorlog een zoon van Nakamura en na de oorlog nog een kind van een onbekende vader. Rond 1950 trouwde ze met een Nederlandse officier, maar zij scheidden al heel snel en kort daarna trouwde zij met ritmeester Vic Robbers. Met hem en haar twee jongste kinderen, onder wie dus dat van Nakamura, vertrok zij in 1952 naar Nederland. Ik ben zelf pas in 1967 met een jongere broer naar Nederland gekomen. Een zusje van mij zat toen ook al in Holland".
Het huwelijk met Robbers duurde ook maar een paar jaar. Carla bleef in Den Haag wonen. De zoon van Nakamura, die Ken de
Jong heette (de meisjesnaam van zijn moeder), keerde in 1961, toen hij 18 jaar was geworden, definitief naar Indonesie terug.

Een dochter van Carla trouwde een rijke Indonesier en vestigde zich met hem in de jaren ’70 in Jakarta. In 1985 liet zij haar zieke moeder tijdelijk overkomen naar Indonesie, waar zij hetzelfde jaar nog stierf, 77 jaar oud. 

Zover bekend heeft Carla de Jong over haar stormachtige leven nooit een journalist te woord gestaan. Dat was voor Joop van den Broek, indertijd werkzaam bij de legervoorlichtingsdienst in Jakarta, geen beletsel zich bij zijn eerste detectiveroman te laten inspireren door de opwinding rond de Nakamura-juwelen. Hij noemde zijn boek 'Parels voor Nadra'. Het is vele malen herdrukt.

 

Dit artikel verscheen op 12 oktober 2002 in de zaterdagsbijlage van het Algemeen Dagblad. Copyright Peter Schumacher.